Column: Moeten schoolleiders optimistisch zijn?
‘Wij willen graag een schoolleider die vrolijk en lief is’. Dat las ik in de vacaturetekst voor een schoolleider. Er stond bij dat leerlingen dit aangegeven hadden. Zo’n beschrijving van persoonlijke eigenschappen is best uitzonderlijk. In de meeste vacatureteksten gaat het erover wat de schoolleider allemaal moet kunnen: ‘We zoeken een schoolleider die knopen durft door te hakken’, ‘Je kunt het team verder professionaliseren’, ‘Je stimuleert doelgericht werken.’ Toch weten we hoe belangrijk die persoonlijke kant van de schoolleider is. Penta Nova besteedt in de opleiding van schoolleiders niet voor niets veel aandacht aan de persoonlijke ontwikkeling.
Ook de beroepsstandaarden voor schoolleiders in het primair onderwijs (2020) en het voortgezet onderwijs (2021) schenken aandacht aan persoonlijke kwaliteiten. Daarbij wordt een onderverdeling gemaakt in cognitieve, sociale, psychologische en zingevende kwaliteiten. Mijn oog viel op een van de psychologische kwaliteiten in de vo-beroepsstandaard: optimisme. Daarbij staat deze toelichting: ‘Je verwacht goed met uitdagingen en veranderingen om te kunnen gaan en je verwacht dat er goede dingen zullen voortvloeien uit je handelen.’ Natuurlijk is het mooi als een schoolleider dit vertrouwen heeft en het kan uitstralen, maar op een of andere manier riep het woord ‘optimisme’ toch vragen bij mij op.
Verwachten we dat alle schoolleiders optimistische mensen zijn? Is optimisme niet van een heel andere orde dan andere kwaliteiten die genoemd worden, zoals empathie of multiperspectiviteit? Dat zijn kwaliteiten die je kunt ontwikkelen, maar in mijn ervaring heeft optimisme vooral met karakter te maken. Iedereen kent de geboren optimist, de vrouw of man die steeds vol goede moed is en elke keer mogelijkheden en kansen ziet. Fijn als een schoolleider zo iemand is, maar ik ken heel wat schoolleiders die anders in elkaar zitten, die ik niet zo snel een optimist zou noemen maar die wel goede schoolleiders zijn. Zeker, de positieve gerichtheid die met optimisme samenhangt, vind ik een enorm belangrijke waarde in het onderwijs. Het blijven geloven in ontwikkeling van leerlingen en van collega’s: dat is essentieel.
Toch zou ik liever een ander woord kiezen, een woord met wat meer diepgang. Ik zou het over hoop willen hebben. Micha de Winter (2017) spreekt daar op een inspirerende manier over bij zijn afscheid als faculteitshoogleraar Maatschappelijke Opvoedingsvraagstukken aan de Universiteit Utrecht. Hij ziet dat hoop en optimisme dichtbij elkaar liggen. Maar hoop gaat voor hem om meer. ‘Het gaat om handelen, om de verwachting en de overtuiging dat je dingen kunt aanpakken, dat je samen met anderen in staat bent verbeteringen tot stand te brengen.’ De Winter vertelt wat hij over hoop heeft geleerd van mensen als Lea Dasberg, John Dewey en Philippe Meirieu. Hij ziet hier een belangrijke taak voor het onderwijs: ‘Als je kinderen van jongs af aan weet mee te geven dat ze ertoe toen, dat ze erbij horen, dat de samenleving ook op hèn zit te wachten, dan wakker je de motivatie aan om zich te willen inspannen, te werken aan doelen, te willen leren en zich te willen ontwikkelen.’
Hoop als tegenwicht tegen sombere toekomstgedachten over de wereld, over jezelf. Hoop ook als een manier van kijken die breder is dan de focus op resultaten en toetsen. Als een schoolleider die hoop uitstraalt, en die hoop laat meeklinken in alle contacten met leerlingen, met collega’s en ouders: dat lijkt me enorm waardevol. Ik denk dat leerlingen zo iemand ook heel lief en vrolijk vinden.
De Winter, M. (31 mei 2017) Pedagogiek Over Hoop. Het onmiskenbare belang van optimisme in opvoeding en onderwijs. Rede ter gelegenheid van het afscheid als Faculteitshoogleraar Maatschappelijke Opvoedingsvraagstukken aan de Universiteit Utrecht.